zagen

zagen

zaag zn. ‘getand snijwerktuig’
Onl. saga in een afgeleide betekenis ‘zaagrecht’ als glosse in jus illud quod sach appellatur in sylva Buckenholt ‘dat recht dat ’zaagrecht‘ genoemd wordt in het bos Buckenholt’ [1125; ONW]; mnl. de ablautende vorm sege [1240; Bern.]. Mnd. sage: ohd. saga; ofri. sage (nfri. seage, sage); oe. sagu, saga (ne. saw); on. sög (nzw. såg); < pgm. *sagō-. Daarnaast staat een minder wijdverbreide ablautvariant *segō-, waaruit: mnl. seghe; ohd. sega (nhd. Säge).