transport

transport

transporteren ww. ‘vervoeren; overdragen’
Vnnl. transporteren ‘gerechtelijk overdragen’ in Negeen poorter of poortesse ne mach transporteren zijn goed ‘geen mannelijke of vrouwelijke inwoner van de stad mag zijn bezit formeel overdragen’ [1503; WNT], ‘van de ene naar de andere plaats vervoeren, overbrengen’, in Alle ‘t Cooren ende Graen gewassen … gevoert ende getransporteert te worden buyten onsen voirsz. landen [1548; WNT].