rooien

rooien

rooien ww. ‘ontwortelen’
Mnl. reden (lees roden) ‘ontwortelen, rooien; land geschikt maken voor bebouwing’ [1240; Bern.], Dat men dat wout soude roden ‘dat men het woud zou rooien’, stocken … uuytroeijen ‘boomstammen ontwortelen’ [1405; MNW uteroden]; nnl. rooien. Daarnaast al vroeg het zn. onl. rotha ‘gerooid bos’ in vele toponiemen, bijv. Selmetrodha‘plaats in Oost-Vlaanderen’.