leren

leren

Leren ww. ‘onderwijzen, doen weten; kennis of kundigheid verwerven’
Onl. leron ‘onderwijzen’ in thu lerdos mi ‘jij onderwees mij’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. leren ‘onderwijzen; onderwezen worden, kennis verwerven’, also alsic geleert v hebbe ‘zoals ik u geleerd heb’, dat walsch te leerne ‘Frans te leren’, ook ‘mededelen, vertellen’, in en ander dat ic v sal leeren ‘een tweede (verhaal) dat ik u zal vertellen’.