drogen

drogen

droog bn. ‘niet nat’
Onl. mit drugon fuozen ‘met droge voeten’ [1100; Will.]; mnl. droge ‘droog’ [1240; Bern.].
Vermoedelijk betekent het woord ‘waaruit het water is weggesijpeld’; Noordzee-Germaans. Meer landinwaarts drocken, drucken ‘droog’ [1477; Teuth.].