bomen

bomen

boom houtachtig gewas
Havenboom, disselboom, slagboom, giek, mast, bezaansboom, trekboom op trekschuit’
-> Fries boom ‘slagboom, giek, disselboom’; Engels boom ‘stok om een zeil te loevert te zetten; luchtvaarder; statief; vaargeulmarkering; vaargeulversperring’; Engels bumkin, bumpkin ‘fokkenloet’; Schotsboam; bolm; bome ‘houten frame waaraan garen wordt opgehangen om te drogen; vaarboom; balk, stang.